u/AnthonieHeinsius

320 jaar geleden, op 23 mei 1706, behaalden Nederlanders en Engelsen een grote overwinning op de Fransen en Spanjaarden bij het dorpje Ramillies. Na een felle en bloedige veldslag werden zij op de vlucht gejaagd, waarna de Spaanse Nederlanden in Nederlands-Engelse handen vielen. Klik voor context!
▲ 53 r/vaderlandsehistorie+1 crossposts

320 jaar geleden, op 23 mei 1706, behaalden Nederlanders en Engelsen een grote overwinning op de Fransen en Spanjaarden bij het dorpje Ramillies. Na een felle en bloedige veldslag werden zij op de vlucht gejaagd, waarna de Spaanse Nederlanden in Nederlands-Engelse handen vielen. Klik voor context!

Op 23 mei 1706 stonden de twee grootste veldlegers van Europa tegenover elkaar bij het dorp Ramillies. Aan de ene kant stonden de Fransen, Spanjaarden en hun Beierse bondgenoten, aan de andere kant de Nederlanders, Engelsen en de hun gesubsidieerde Duitse en Deense hulptroepen. De inzet was groot. Als de Fransen en Spanjaarden wonnen, konden zij opnieuw de grenzen van de Republiek bedreigen. Als de Nederlanders en Engelsen wonnen wonnen, viel een groot deel van de Spaanse Nederlanden in hun handen.

Sinds het Rampjaar van 1672 was de Republiek, geleid door Willem III van Oranje, verwikkeld geraakt in een titanenstrijd met het Frankrijk van Lodewijk XIV, toen veruit de sterkste staat van Europa. Voor de Nederlanders draaide deze strijd vooral om veiligheid. De Spaanse Nederlanden moesten behouden blijven als buffer tegen Frankrijk. Het Spaanse Rijk vormde inmiddels geen grote bedreiging meer, maar het Frankrijk van Lodewijk XIV des te meer.

Om weerstand te kunnen bieden aan het enorme en goed georganiseerde Franse leger moest Willem III niet alleen bondgenoten vinden, maar ook het Nederlandse leger hervormen. Tijdens het Rampjaar was pijnlijk duidelijk geworden hoe verwaarloosd het Staatse leger was geraakt tijdens de Eerste Stadhouderloze Tijd (1650–1672). De hervormingen bleken echter een groot succes. De Nederlandse infanterie kreeg al snel de reputatie van de beste infanterie van West-Europa.

Toch bleven de Franse legers tijdens de Hollandse Oorlog oppermachtig. Hoewel de Republiek zelf stand wist te houden, slaagde de coalitie er niet in Lodewijk XIV te verslaan en moesten Spanje en de keizer uiteindelijk grondgebied afstaan. Pas tijdens de Negenjarige Oorlog (1688–1697) wist de door Willem III geleide Grote Alliantie (De Republiek, Engeland, Spanje en het Heilige Roomse Rijk) de Franse expansie daadwerkelijk tot stilstand te brengen. Lodewijk XIV werd zelfs gedwongen eerder veroverd gebied terug te geven.

De vrede hield echter nauwelijks stand. Toen de kinderloze Spaanse koning Karel II stierf en zijn rijk naliet aan een kleinzoon van Lodewijk XIV, raakte het machtsevenwicht in Europa opnieuw verstoord. Voor de Nederlanders was een Franse overheersing van de Spaanse Nederlanden onacceptabel. De situatie werd nog dreigender toen Franse troepen in 1701 de Spaanse Nederlanden binnentrokken en de Nederlandse garnizoenen daar verdreven. Bovendien koos de Bisschop van Keulen de zijde van Frankrijk, waardoor ook de oostgrens van de Republiek bedreigd werd. De herinneringen aan het Rampjaar kwamen direct weer boven. Deze keer was de Republiek echter beter voorbereid.

In mei 1702 verklaarden de Republiek, Engeland en het Heilige Roomse Rijk de oorlog aan Frankrijk. Willem III zou die oorlog echter niet meer meemaken. Hij stierf in maart 1702, wat een enorme aderlating was voor de coalitie. De vraag wie het Nederlands-Engelse leger moest leiden werd daardoor urgent. Uiteindelijk viel de keuze op de Engelse John Churchill, hertog van Marlborough. De Nederlanders wilden daarmee verzekeren dat Engeland zich volledig aan de oorlog op het continent zou blijven verbinden.

Hoewel Marlborough een geniale bevelhebber bleek te zijn was hij nog relatief onervaren als opperbevelhebber en zijn vrijheid van handelen werd sterk beperkt door de Nederlanders, die het grootste deel van de troepen, financiering en logistiek voor het leger leverden. Hij moest altijd in overeenstemming handelen met de hoogste Nederlandse generaal. Wanneer er meningsverschillen ontstonden, lag de uiteindelijke beslissing bij de gedeputeerden te velde, civiele vertegenwoordigers van de Staten-Generaal die het leger vergezelden en toezicht hielden op de oorlogvoering.

De eerste jaren van de oorlog verliepen met wisselend succes. In 1702 werden de grenzen van de Republiek veiliggesteld en werd het Frans-Spaanse leger teruggedrongen achter zijn verdedigingslinies in Spaans-Brabant. Toch bleken deze linies in de jaren daarna moeilijk te doorbreken. Hoewel de Bisschop van Keulen werd verslagen bleef het belangrijkste Nederlandse oorlogsdoel, het veiligstellen van de Spaanse Nederlanden als buffer tegen Frankrijk, daardoor buiten bereik.

In mei 1706 begaf het leger van maarschalk Villeroi zich echter onverwacht buiten deze veilige verdedigingslinies. Op bevel van Lodewijk XIV moest hij tonen dat Frankrijk nog altijd sterk genoeg was om het initiatief te nemen. Marlborough en Hendrik van Nassau-Ouwerkerk, de hoogste Nederlandse generaal en neef van Willem III, grepen deze kans onmiddellijk aan. Zij besloten Villeroi slag te leveren voordat hij zich opnieuw achter zijn verdedigingswerken kon terugtrekken.

Bij Ramillies, een dorpje tussen Brussel en Luik, stonden twee legers van elk ongeveer 60.000 man tegenover elkaar opgesteld. Villeroi was vol zelfvertrouwen. Zijn leger verkeerde in uitstekende staat, bevatte de beste regimenten van Frankrijk en had volgens hem een sterke defensieve positie ingenomen. Zijn troepen bezetten vier dorpen langs het riviertje de Gete, terwijl zijn cavalerie de grote open vlakte op zijn rechterflank beheerste.

Villeroi liet het initiatief aan de geallieerden. Marlborough en Ouwerkerk besloten daarop hun hoofdaanval op de open vlakte te richten. Daar zouden de Nederlandse en Deense ruiters op de linkerflank de beslissing moeten forceren. Dat was geen eenvoudige taak. De Franse cavalerie gold immers als de beste van Europa.

Kort na het middaguur opende de artillerie van beide zijden het vuur. Een Franse officier beschreef hoe hij had geprobeerd de spanning te verdrijven door muziek te laten spelen:

>“Ik had opdracht gegeven vrolijke fanfares te laten spelen op onze hobo’s om ons wat te vermaken, maar het voortdurende gedreun van het geschut verschrikte onze muzikanten zo hevig dat zij als een bliksemflits verdwenen voordat iemand het merkte, en de welluidende klanken van hun instrumenten meevoerden naar een plek waar de harmonieën lang niet zo slecht klonken.”

Het bombardement richtte vooral aan Franse zijde zware schade aan. Rond half drie zetten vier Nederlandse bataljons onder bevel van de Zwitserse kolonel Werthmüller de aanval in op het dorpje Franquenée op de uiterste geallieerde linkerflank. Het Zwitserse bataljon in Franse dienst dat het dorp verdedigde werd al snel verdreven. Een Nederlandse ooggetuige schreef:

>“Met de grootste dapperheid van de wereld vielen onze soldaten den vijand aan, in front en in de flank; zij schoten alleen op zeer korten afstand, trokken toen met de bajonet op het geweer tot aan het middel door het water en verdreven niet alleen hen die in het kreupelhout[bos] waren, maar ook de anderen die ter ondersteuning waren opgerukt.”

Inderdaad, ook de Franse versterkingen, vijf bataljons en veertien eskadrons, werden teruggeslagen. Daarmee lag de weg open voor de Nederlands-Deense cavalerie om de aanval in te zetten onder direct bevel van Ouwerkerk en Graaf Tilly, de generaal van de Nederlandse cavalerie.

Wat volgde was één van de grootste en meest intense cavaleriegevechten van de Europese geschiedenis. De strijd, waarbij ongeveer 20.000 ruiters bij betrokken waren, golfde urenlang heen en weer. Terwijl de cavalerie vocht, gaf Marlborough de rest van het geallieerde leger bevel tot algemene aanvallen om de Franse infanterie bezig te houden. Ondertussen verplaatste hij stiekem ongeveer drieduizend Nederlandse ruiters van de rechterflank naar de vlakte waar het cavaleriegevecht plaatsvond.

Die manoeuvre bleek beslissend. Juist toen de Franse elitecavalerie op enkele punten dreigde door te breken, wierp Marlborough deze verse Nederlandse eskadrons in de strijd. De Franse ruiters bezweken uiteindelijk onder de druk van de Nederlands-Deense cavalerie en sloegen op de vlucht.Toen Villeroi hoorde dat zijn cavalerie was verslagen, begreep hij dat de slag verloren was. De Nederlandse en Deense ruiters bedreigden nu zijn leger van achteren. Hij probeerde nog een ordelijke terugtocht te organiseren, maar het Nederlands-Engelse leger zette onmiddellijk een meedogenloze achtervolging in. Een Franse officier schreef later:

>“Brigade na brigade brak tijdens de terugtocht; de vijand maakte talloze gevangenen en dreef ons door zijn voortdurende achtervolging zo uiteen, dat het meer dan twee maanden onmogelijk was het leger opnieuw op oorlogssterkte te brengen.”

De Fransen en Spanjaarden verloren meer dan 13.000 man aan doden, gewonden en gevangenen. De geallieerden verloren ongeveer 4.400 man.

De gevolgen van Ramillies waren enorm. De Franse verdedigingslinie in Spaans-Brabant stortte in en Marlborough en Ouwerkerk veroverden in razend tempo bijna de gehele Spaanse Nederlanden. Brussel, Antwerpen, Gent, Oostende en tal van andere belangrijke vestingsteden vielen in Nederlands-Engelse handen. Voor Lodewijk XIV was dit een verpletterende klap. Zijn beste leger was verslagen en plotseling stonden niet langer de grenzen van de Republiek, maar die van Frankrijk zelf onder druk.

De oorlog zou nog jaren doorgaan en enorme financiële en menselijke offers eisen, eigenlijk meer dan de kleine Republiek kon dragen. De Gouden Eeuw liep langzaam ten einde. Toch werd het belangrijkste Nederlandse oorlogsdoel uiteindelijk bereikt. De Republiek verkreeg een versterkte buffer in de Zuidelijke Nederlanden, die na de oorlog onder Oostenrijks bestuur kwamen. In verschillende vestingsteden mochten Nederlandse garnizoenen worden gelegerd, een situatie die zou voortduren tot in de jaren tachtig van de achttiende eeuw.

Ook de agressieve expansiepolitiek van Lodewijk XIV was definitief gebroken. Bijna een eeuw lang zou Frankrijk geen grote Europese veroveringsoorlog meer voeren.

u/AnthonieHeinsius — 2 hours ago
▲ 293 r/Napoleon+1 crossposts

Menno van Coehoorn, de grote Nederlandse vestingbouwkundige, ontmoet zijn Franse rivaal Vauban in de ruïnes van Namen na de val van de citadel (1692).

De Nederlandse Menno van Coehoorn was één van de grootste vestingbouwkundigen en militaire ingenieurs van zijn tijd en gold als de belangrijkste tegenhanger van de Franse Vauban. Tijdens de Negenjarige Oorlog (1688-1697) was de Grote Alliantie, die door Willem III van Oranje werd geleid, grotendeels gedwongen tot een defensieve strategie tegen de Franse overmacht, waarbij de verdediging van vestingsteden een centrale rol speelde en Coehoorns expertise volledig tot zijn recht kwam.

In 1692 voerde Maarschalk Luxembourg ongeveer 120.000 Fransen aan terwijl Willem III daar maar 80.000 troepen tegenover kon stellen. De Fransen konden daardoor het offensief nemen. Hun belangrijkste doel was de strategisch gelegen vestingstad Namen aan de Samber. Als de stad zou vallen, konden de Fransen gemakkelijker druk uitoefenen op Luik en Maastricht in de Maasvallei. Maar voor Lodewijk XIV was de verovering ook een prestigezaak: Namen was één van de sterkste vestingen van Europa en de inname van de stad moest bewijzen dat Frankrijk nog altijd onoverwinnelijk was.

Het bevel over de verdediging lag bij de prins van Barbançon, een Zuid-Nederlandse generaal in Spaanse dienst. Het garnizoen van ongeveer 8.000 à 9.000 man bestond uit Nederlanders, Spanjaarden, Walen, Brandenburgers en Engelsen, eigenlijk te weinig voor zo’n grote vesting. Bovendien waren de nieuwe versterkingen die Coehoorn had ontworpen nog niet volledig voltooid toen het beleg begon. Coehoorn zelf nam het commando op zich over Fort Willem, één van deze nog onafgewerkte buitenwerken.

Het beleg begon op 25 mei. Barbançon verdedigde de stad op een zeer zwakke manier en gaf Namen al na tien dagen over. Coehoorn daarentegen verlengde het beleg met bijna een maand door Fort Willem op uitstekende wijze te verdedigen. Hij bevond zich voortdurend tussen zijn mannen en raakte tijdens de gevechten gewond.

Zijn optreden maakte diepe indruk, zelfs op de Fransen. Een Franse officier schreef:

>“De ingenieur die het heeft ontworpen en die alles bestuurd heeft wat daar is gedaan, is een Hollander, genaamd Cohorn. Om de sterkte te verdedigen had hij zich daarin begeven en er zelfs een graf laten maken, zeggende dat hij daar begraven wilde worden. Met de bezetting trok hij er gisteren uit, gewond door een bomscherf. Mijnheer De Vauban heeft hem uit nieuwsgierigheid opgezocht ...”

De ontmoeting tussen Coehoorn en Vauban groeide later uit tot een beroemde anekdote. Vauban zou zijn opkomende Nederlandse rivaal na de val van het fort hebben getroost met de woorden dat hij tenminste “de eer had aangevallen te zijn door de grootste koning ter wereld”. Coehoorn antwoordde dat zijn ware troost lag in het feit dat hij Vauban had gedwongen zijn belegeringsbatterijen zeven keer te verplaatsen.

Na de val van Fort Willem begon het beleg van de citadel van Namen. Op 30 juni gaf ook deze zich over. Het garnizoen mocht de vesting op eervolle voorwaarden verlaten, met wapens, slaande trommels en wapperende vaandels.

Hoewel het verlies van Namen zwaar aankwam, dwong het de Grote Alliantie niet tot vrede. In de jaren daarna breidden de Nederlanders en Engelsen hun legers verder uit, waardoor zij beter weerstand konden bieden tegen de Franse overmacht. Uiteindelijk moest Lodewijk XIV terrein prijsgeven dat hij eerder had veroverd.

Coehoorns reputatie bleef ondertussen groeien. In 1695 wist hij Namen zelfs voor de Grote Alliantie te heroveren, ondanks de aanzienlijke versterkingen die Vauban inmiddels had aangebracht.

Waar Vauban vooral bekend stond om het perfectioneren van de systematische aanval en verdediging van vestingen, legde Coehoorn meer nadruk op agressief artillerievuur en snelle aanvallen. Hij ontwierp zelfs een speciale mortier en probeerde belegeringen te versnellen door overweldigende vuurkracht te combineren met krachtige infanterieaanvallen.

Het schilderij is gemaakt door August Allebé

u/AnthonieHeinsius — 5 days ago