
Marnix Peeters: “Preutsheid is waardeloos. Doen alsof dingen niet bestaan helpt de samenleving geen centimeter vooruit”
Marnix Peeters, jarenlang interviewer en reportagemaker bij deze krant, kijkt haarscherp naar de dingen als columnist. Deze week kijkt hij naar een ‘Panorama’-uitzending over de Seefhoek uit 1988 en stelt vast dat de journalistiek is verschraald. “Doordat we maatschappelijke problemen nog altijd niet durven te benoemen, worden ze ook nog steeds niet aangepakt.”
Ik stootte laatst op YouTube op de beroemde ‘Panorama’-uitzending over de Seefhoek. Wat een oogopener was me dat! De uitzending stamt uit 1988. Ontdaan werd er vastgesteld dat in sommige klassen in de wijk enkel nog migrantenkinderen zaten. Ze zaten er braaf naar de meester te luisteren. Wat het hardst opvalt, is dat er in die tijd nog echte journalistiek bestond: men liet mensen vrijuit hun gedacht zeggen voor de camera. Die man in het café die op elke vraag met “Zwaanst naa nie!” antwoordde en zei dat volgens hem Marokkaanse vrouwen meteen na de bevalling door hun man opnieuw worden volgepompt, in het moederhuis nog en met het oog op het kindergeld: vandaag zou zoiets het scherm niet meer halen.
Dat is een enorme verschraling. Het levert niets op. Preutsheid is waardeloos. Doen alsof dingen niet bestaan helpt de samenleving geen centimeter vooruit. De reeksen die de voorbije decennia over de collaboratie zijn gemaakt reiken nog niet tot aan de knieën van de formidabele onderzoeken ter zake door Maurice De Wilde. Dat kwam doordat Maurice iederéén aan het woord liet, ook oud-oostfronters met anderhalve arm die met het berkenkruis op de salontafel mochten zeggen dat ze onmiddellijk naar Krasny Bor zouden terugkeren, want dat er niets aan het nationaalsocialisme kan tippen. En dan Léon Degrelle in zijn SS-uniform, blozend pronkend met zijn Ridderkruis: pas door zulke figuren te zien tekeergaan, kun je een klein beetje beginnen te snappen hoe het zo is kunnen ontsporen, bijna een eeuw geleden. We zijn er helaas opnieuw niet ver meer vandaan.
In Maurice zijn ‘De oostfronters’ kwam een huisdokter aan het woord die zo sappig en en passant vertelde over de gruwel die hij als lid van de Einsatzgruppen had aangericht, dat je bijna niet kon geloven dat zulke mensen echt bestaan. Het helpt om te beseffen hoe terloops mensen in beesten kunnen veranderen. Dat is nuttig, want ook daar zijn we helaas niet ver meer vandaan.
Maar dé slotsom van het herbekijken van die ‘Panorama’-reportage is voor mij toch dat wij die hele problematiek toen maar wat op zijn beloop hebben gelaten, dat er een cordonnetje is samengezworen om de maatschappij te behoeden voor die zwaanstnaanieërs, en dat we bijna veertig jaar later nog altijd op een braakland staan uit te kijken. Doordat we de problemen nog altijd niet durven te benoemen, worden ze ook nog steeds niet aangepakt.
Bijna vijftien jaar geleden ging ik voor ‘De Morgen’ eens een week lang op ronde met de stadswachten in Antwerpen. Een Vlaams winkelierskoppel in Deurne-Noord, doodbrave mensen met een zaak in lederwaren, vertelde mij toen met tranen in de ogen dat al maandenlang elke ochtend en elke avond migrantenkinderen hun vensterramen onder rochelden. Twee keer daags moest het vrouwtje met een sopje aan de slag om de etalage proper te maken. De stadswachten stonden erbij en keken ernaar — niet uit desinteresse, integendeel, maar omdat er geen middelen voorhanden waren om in te grijpen. Overheid en politie vonden het de moeite niet om er een zaak van te maken. Vandaag lopen die dingen nog altijd zo. Omdat men nog steeds vindt dat wegkijken beter is. Progressiever. Er kleeft aan vele handen heel veel vuiligheid.
Vandaag zou zo’n verhaal helaas, pervers genoeg, die krant niet meer halen.